
WIL JE VREDE? DOE RECHT!
Overweging van Jan Groot
Eerste lezing: Jesaja 45, 1-6
Evangelie: Mattheus 22, 15-21
Lees of print je de overweging liever als PDF? Die vind je hier.
Hier vind je alle overwegingen.
Overweging
We zeiden het de afgelopen jaren al zo vaak tegen elkaar:
‘wat zijn ze spannend en verontrustend,
die onzalige dingen die er nu op het wereldtoneel gebeuren’.
Er is de oorlog in Oost-Europa en elders, de klimaatcrisis is hevig en Europa schuift meer en meer naar extreemrechts. En: de mensenrechten staan her en der flink onder druk.
Ja, we maken bijzondere tijden mee.
En dan nu, temidden van dat alles, het bijzondere bezoek van pater Aniedi Okure. Het motto ervan is uiterst actueel:
‘Wil je vrede? Doe recht!’
Maar …. Wat valt daar in ’s hemelsnaam (letterlijk!) voor zinnigs over te zeggen? Ik ga het proberen.
Ga daarvoor met me mee naar het evangelie van daarnet.
Dat brengt ons ook in woelige tijden. Het Romeinse rijk is oppermachtig en heeft ook Palestina in zijn greep. Als Mattheus zijn evangelie schrijft is Jerusalem nog maar net verwoest. Tegen de achtergrond van zulke barre omstandigheden belanden we in het evangelie van vandaag op het tempelplein.
Wat gebeurt daar eigenlijk?
We zien er Jezus staan, en er komt een groep mannen op hem af. Uit de aankondiging weten we dat ze hem in de val willen lokken. Het is dus allesbehalve een onschuldig voorval. De stemming is geladen en explosief. Ze beginnen heel welwillend:
‘Meester, U spreekt over de weg van God. U bent daarin oprecht en van niemand afhankelijk’.
Ja, dat klopt helemaal, Jezus kijkt niemand naar de ogen. Maar dan komt er een strikvraag, een heuse valstrik:
‘belasting betalen aan de keizer, is dat volgens U toegestaan, of niet?’
Het is een levensgevaarlijke vraag. Het is oorlog, het land is bezet door de Romeinen. Als Jezus ‘ja’ zegt, dan heult hij met de vijand; zegt hij ‘nee’, dan kunnen ze hem verraden en zijn ze mooi van hem af. Maar hij heeft ze door, en doet een tegenzet:
‘laat me de belastingmunt eens zien’.
Dat is spannend, die munt draagt immers een bijzondere beeltenis met gruwelijke opschrift: ‘Tiberius, zoon van de goddelijke Augustus’,
staat erop. De keizer geeft zichzelf goddelijke allures. Hebben de mannen die munt bij zich, met de afbeelding van een heerser die slaven heeft en over lijken gaat? Zullen ze die munt bij zich hebben, nota bene op de heilige grond van het tempelplein waar dat strikt verboden is? Het zou heiligschennis zijn.
Ja, ze worden betrapt, ze hebben ‘m bij zich! En Jezus vraagt dan: wie zien we op de belastingmunt? ‘De keizer’, is het antwoord. En dan zegt Jezus:
‘geef de keizer wat van de keizer is, en aan God wat God toebehoort’.
Dat líjkt een slim, handig antwoord dat de kool en de geit spaart, maar dat is het niet. Jezus brengt God ter sprake en de hoorders weten dan precies hoe laat het is. We hoorden het al zeggen bij Jesaja:
‘Ik ben de Eeuwige, er is geen ander, buiten mij is er geen god’.
Geen mens is zelf god, ook de keizer niet. Het is juist omgekeerd:
alle mensen zijn naar Gods beeld en gelijkenis geschapen.
Alle mensen zijn schepselen: aan God behoren wij toe.
En dan gaan ze weg, Jezus’ opponenten, verbaasd en wel.
De vraag is nu: wat kunnen we uit dit evangelieverhaal opmaken? Het gaat om het fundament, om ons vertrekpunt, om de basis van onze kijk op het leven. Heel het evangelie van Jezus zet
- tegenover kwade machten en krachten die zichzelf als god beschouwen of als god gedragen –
een eigen mensbeeld neer, dat hij ten einde toe zelf belichaamt:
mensen zijn vrije, geliefde schepselen,
allemaal gelijk in hun waardigheid,
allemaal liefdevol geschapen;
mensen zijn zonder uitzondering elkaars naaste,
alle mensen zijn beeld van God.
Daarmee hebben we geen handleiding voor de oplossing van de wereldproblemen, maar wél een basisvisioen. Met dat visioen begint alle vrede, alle gerechtigheid berust op dit oerbesef:
mensen zijn allemaal beeld van God,
en niemand mag ze schenden in die grote waardigheid.
‘Zonder dat visioen’, zegt de Schrift, ‘verwildert het volk’.
Of, anders gezegd, en even fundamenteel:
Artikel 1 van de Nederlandse Grondwet:
„Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of welke grond dan ook, is niet toegestaan.”
Amen. Zo zij het!



